Het is niet perfect, niet altijd even handig en niet helemaal zoals ik zou willen. Maar het is van mij. Dus bij voorbaat al sorry voor de reactievelden - daar erger ik me nu al aan. Ooit ga ik dat wel veranderen, als ik erachter kom hoe.
Maar de woorden (en het groen) zijn gewoon gelijk gebleven.
Uit
China had mijn zus een soort puzzeltjes meegenomen die ruimtelijk inzicht
vergden. Het waren zes verschillende met elk bestaand uit twee of drie metalen
vormen die je in en uit elkaar kunt schuiven op één bepaalde, bijzondere manier
(zie hier). Ogenschijnlijk lijkt het onmogelijk dat de metalen vormen in elkaar
zitten of kunnen zitten, maar dat is natuurlijk puzzelige paradoxaliteit.
Mijn
vader, die als archetype voor De Handige Man zou kunnen fungeren, wist ze
binnen een paar keer in en uit elkaar te krijgen. Mijn moeder, die
wiskundelerares is geweest, deed eerst niet mee, maar toen ze zich verwaardigde
om een van de moeilijkste puzzels op te lossen, had ze het binnen twee minuten
voor elkaar en kon ze deze prestatie zelfs hardmaken met een theorie en een
methode. Mijn zus, die geen kaart kan lezen en altijd tegen deurposten oploopt,
bleek na talloze pogingen best succesvol. En ik begreep het maar niet zo goed.
Ik kon de puzzeltjes wel oplossen, maar dat was telkens gebaseerd op geluk en
veel te weinig op logisch inzicht.
Ik
vreesde dat mijn IQ gewoon niet zo hoog was. Uiteraard heb ik wel eens IQ-tests
gedaan, maar ik vind ze niet representatief genoeg; ik weet niet in hoeverre ik
op mijn antwoorden kan vertrouwen omdat ik ongeconcentreerd ben. Het
beantwoorden van de vraag is voor mij namelijk insignificanter dan erover
nadenken. Zo gaan mijn gedachten telkens uit naar hoeveel tijd ik nog heb, naar
hoe de grammaticaal foute vraagstellingen te verbeteren en naar of Daan echt
heeft opgemeten dat de plattegrond die hij voor zich heeft 12 bij 20 cm is en
hoe hij er vervolgens bij komt om zich af te vragen of het toeval is dat meer
dan de helft van de straten dichter bij de rand ligt dan bij het midden van de
kaart.
Dus
toen ik in de Quest las over de QQ-test, waarbij maar liefst zeven
intelligenties worden gemeten die minder logisch genadenk eisen, dacht ik dat ik
misschien hiermee zou kunnen bewijzen dat ik nog best slim ben. De zeven
intelligenties waren: taalkundige, muzikale, ruimtelijke,
lichamelijk-motorische, logisch-wiskundige, interpersoonlijke en
intrapersoonlijke intelligentie. De intrapersoonlijke categorie bevatte geen
‘echte’ vragen, maar bestond uit je zelfanalyse ten opzichte van de zes andere
tests; voordat je een van de tests maakt, moet je aangeven hoe goed je denkt te
zullen scoren op dat gebied. Uit bekrompen bescheidenheid vulde ik telkens
overal in dat ik er vast ‘gemiddeld’ goed in zou zijn. Dat bleek telkens niet
waar: ik was of goed of heel goed. Maar mijn score was dat niet, want de
slechte score op intrapersoonlijk vlak zorgde voor een daling in de
totaalscore.
Te
trots om het daarbij te laten, deed ik de test nog een keer, waarbij ik mijn
bescheidenheid de mond snoerde en invulde hoe ik werkelijk dacht te zullen
scoren. De rest van de vragen probeerde ik te beantwoorden zoals ik dat de
vorige keer ook had gedaan - zo eerlijk was ik dan weer wel. Het resultaat was
bevredigend. En al heb ik niet het idee dat ik er nou echt iets mee bewezen heb
(ik vond mezelf er niet bepaald intelligenter door worden), ik heb besloten om
gewoon nooit meer IQ- of daarop lijkende tests te maken. Dat zorgt alleen maar
voor deuken en kneuzingen in mijn zelfinzicht.
Ze
probeerde me te vangen in korte beschrijvingen. Ik kon daar niet aan voldoen.
Het liefst wou ik haar vertellen dat er een reden is dat kwaliteitsbladen geen interviewvragen
gebruiken als: “Als je je stijl zou moeten omschrijven in één woord, wat zou
dat dan zijn?”. Niets is te vangen in één woord, zelfs niet niets, want dan heb
je al te veel gezegd. Maar ik zei er niets over en probeerde de vragen zo goed
mogelijk te beantwoorden.
En
dat is iets waar ik klaarblijkelijk in faal. Zodra ik iets moet vertellen over
wat ik denk of voel of mezelf moet analyseren of beschrijven, kan ik moeilijk
stante pede bedenken wat te zeggen. Alleen geschreven zinnen komen in één keer
goed de wereld in – uitgesproken zinnen kennen te veel pauzes, twijfels en
anakoloeten.
Ik
vind alles eigenlijk ook veel te complex om in woorden te omsluiten. Het heeft
altijd een andere kant, een andere uitkomst, als je het anders bekijkt. Dat
moet je weten voor je iets zegt of schrijft. Maar ik voelde hoe zij mijn woorden
probeerde in te dammen. Een rijtje signaalwoorden gebruikte die haar zouden
helpen bij de dingen in haar hoofd en op papier te organiseren. En hoe meer zij
wilde dat ik concrete antwoorden gaf, hoe meer ik voelde dat ik liever in het
algemene wilde blijven. Een simpel interview werd een sumoworstelwedstrijd (zonder
het overgewicht) waarbij zij me de ring in probeerde te trekken, terwijl ik aan
de buitenkant van de cirkel haar maaiende armen trachtte te vermijden.
Hiervoor
had ik haar al geïnterviewd, want dat was de opdracht. Maar het resultaat van
een goed interview ligt uiteindelijk meer aan de verteller dan de interviewer. Zij
was een goede verteller, wist op mijn algemene vragen concrete antwoorden te
geven en als ze dat niet deed, was het niet relevant. Maar ik kon dat niet. Ik
kan niet concreet zijn, ik ben geen verteller. Ik wil niet te vangen zijn. Een
schrijfster ben ik: ik wil zelf vangen.
Zij kijkt de andere kant op. Hij kijkt of hij haar
herkent. Zij kijkt op haar horloge. Hij hoeft dat niet te doen om te weten dat
het te vroeg is. Zij slaat haar ogen op en ziet hem. Hij kijkt dan juist
ongeïnteresseerd weg. Zij haalt haar tas weg van de stoel naast haar voor het
geval hij wil zitten. Hij blijft staan, een paar passen verwijderd van haar. Ze
denken dat ze alleen het wachten gemeen hebben.
Vijf minuten gaan zo voorbij, en algauw zijn dat er
acht. Alle even grijs, alle even saai en bedompt als alles wat daar is. Zijn
pak vertoont de strijkstrepen van een geoefend strijkkunstenaar. Haar make-up
beschrijft de precisie van een perfectionist. Ze vormen beiden een onbeduidend
deel in het geheel, een spaak in een fietswiel, de tweede boterham in een
boterhamzak. Aanwezig maar misbaar, noodzakelijk maar nutteloos. Beiden de
achtergrond van de omgeving, de voorgrond van het niets wat er uitspringt.
Zelfs haar woorden: ‘Zou hij nog komen?’, die de
stilte wankel verbreken, zorgen niet voor verandering. Zijn kleine schrik, die
hij herstelt met een nonchalant ‘Ik hoop het’, evenmin.
Maar hun gedachten dwalen alweer af naar waar ze
waren, in de velden waar ze bestaansrecht krijgen, waar kleur het alledaagse
verbleekt en de gedachten de verwoorde emoties zijn. Hij denkt in uitbundige stijlfiguren
en toevallig vrouwelijk rijm, laat zich bevlogen meeslepen door welke woorden
er dan komen. “Als ik de nacht vertel me bij te blijven, de wind zeg te blijven
waaien, te zingen over de geliefde weiden, als de golven me bevrijden door me
te omarmen met hun warse handen, als ik mijn hart vertel uit te blijven, als de
smarten komen om mij niet los te laten, dan is het daar waar ik je tegenkom,
dan vertel ik mijn hart te rusten, zorgeloos in de pijn te berusten, om het zo
te verdrijven, te laten doorklinken in mijn ziel, om voor jou te blijven
schrijven.”
Zij denkt in milde metra en ronde assonanties,
ademt op het ritme van de woorden die ze levendig opzegt in haar hoofd. “Ik
volgde de sporen / Die je voet had belopen / Overal vergrootte / Ik mijn
afstand tot jou / M’n ogen zochten / Tot ze pijnlijk geschonden / Dat wat ze
hoopten / Afwijzen moesten / Je zou blijven verdwijnen / Constant ongevonden”.
En als de bus komt, ze opslokt in zijn transport en
ze meevoert, is zij de eerste die na tien halten vertrekt, hem en zichzelf
onwetend achterlatend in het troosteloze grijze decor.
Ze
beginnen hijgend verhit, haast koortsig bezweet. Na een eerste uur verdwijnt de
behaaglijke warmte van het intrappen tegen het weer. De kou zit al in me, hevig
ontstoken in elk geairconditioned lokaal. Spoedig klaag ik naarstig over de staat
van dit kille pand.
Vier
keer loop ik de treden op en af - de liften vermijd ik, want die zijn eng. Het
betreden van de voor-, midden- of achtertrap is arbitrair; hangt af van de
handigheid waarbij ik er een tref in het schijnbare labyrint van dat eigenlijk
begrijpelijk gebouw.
Rond
vier uur koop ik koffie of cola light en geef daarmee toe aan de razende nood (die
niet voortkomt uit een loom soort lethargie - elke zin die ik tussen 9 en 6
hoor van orator 1, 2, 3 of 4 is immers belangwekkend relevant -, maar mijn
aandacht daalt nou eenmaal met mijn aan guurte onderhevig temperatuur. Helaas
is er verder geen enkel bedenkbaar verband: de aangename oppepstoot zorgt niet
voor een beoogde stijging in het klimaat).
Met
elke zitplaats die verstrijkt, beweeg ik steeds meer weerheen op mijn stoel, om
de pijn aan het lijf en benen te verzetten zonder resultaat. Het vleselijk leed
omschrijft de portee van zo’n dag elke week.
Moe
van het gezetel vermijd ik ’s avonds elke knik in mijn voos lijf, de rust mijn
leidraad, mijn bed mijn panacee. Ook deze week verzucht ik is het voorbij. Drie
gehad. Nog elf heb ik te gaan.
We
waren beiden veertien. Beleefdheden waren niet nodig. Toch bleef ze me maar
adresseren met u; een hardnekkig
mechanisme verbood haar haar opvoedingsregels te verloochenen en me aan te
spreken zoals ik haar aansprak.
Wat
er met mij gebeurde was tevens interessant. Ten eerste voelde ik me een echte
Westerling in haar welgemanierde Iraanse aanwezigheid – afgesloten van mijn roots. Daarnaast zorgde haar taalgebruik
voor een kloof tussen ons waar ik me, als ‘hogerstaande’, ongemakkelijk bij
voelde. Om dat gat te dichten zou zij me met het informele je aan moeten spreken of ik zou haar hoffelijk
met u aan moeten spreken. De eerste
strategie bleek onuitvoerbaar, gezien haar vasthoudendheid aan u, dus probeerde ik de tweede strategie.
Ook die mislukte, want ik bleek daar niet toe in staat. Het lijkt iets
makkelijks, maar in mijn hersenen ging het er zo aan toe:
Bewuste
gedachte: ‘Als ik zo een vraag ga stellen moet ik je vervangen door u.’
Onbewuste
automatische gedachte: ‘Ze is een leeftijdsgenoot, dus een je.’
Uitgesproken
zin: “Met hoeveel meisjes zit je in de klas?”
Zulke
niet-reguleerbare onbewuste denkprocessen bezit ik nog steeds. Want hoe gek ik
het ook vond een leeftijdsgenoot met u
aan te spreken, een ouder iemand met je
aanspreken blijkt eveneens onmogelijk. Iedereen boven ongeveer de dertig valt voor
mij in de u-categorie. Dat is beleefd
en dat hoort nou eenmaal zo (mijn toch wel bestaande Iraanse deel spreekt). Dus
ik heb al herhaaldelijke keren meegemaakt dat iemand tegen mij zei: “Je mag
echt je zeggen, anders voel ik me zo
oud”. Mijn hersenactiviteiten op dat moment:
Bewuste
gedachte: ‘Als ik zo een vraag ga stellen moet ik u vervangen door je.’
Onbewuste
automatische gedachte: ‘Hij/zij is ouder, dus een u.’
Uitgesproken
zin: “Wat zegt u?”
Sommigen
blijven ietwat geïrriteerd benadrukken dat ze een je zijn, vasthoudend aan een woord dat niet hun echte, maar wel hun
geïdealiseerde zelfreflecterende leeftijd bevat. Maar dat worden ze nooit voor
mij.
Wat
laatst gebeurde was zowaar nóg interessanter. Ik sprak met twee mannen tussen de
dertig en de veertig die een eigen bedrijf hebben. De een droeg een Bam
Margera-shirt met afgetrapte All Stars en de ander een versleten broek boven nog
afgetraptere Adidasjes. Ze waren je’s.
Totdat we een rollenspel gingen doen waarbij ik een werknemer was die kritiek
kreeg en de Bam Star-vent mijn ietwat verwaande, minachtende werkgever.
Hij:
“Dat stuk dat je hebt ingeleverd vind ik niet helemaal goed.”
Ik:
“Ow, hoe komt dat dan precies?”
Hij:
“Je hebt je niet aan de afspraken gehouden over hoe je het zou schrijven.”
Ik:
“Hoe stelt u voor dat ik het verbeter dan?”
Eén
miliseconde viel hij uit zijn rol en zag ik de blik in zijn ogen die ik als
veertienjarige had toen mijn conventies overschreden werden. Daarna begon hij
zich nog hooghartiger te gedragen, terwijl ik steeds meer moeite kreeg met het
beantwoorden van elke vraag omdat ik me kleiner voelde worden, en met mijn
gedachten zat bij de impact die één woord teweeg kan brengen.
In
deze les schenken we aandacht aan telefoongesprekken tussen Iraniërs. Deze zijn
beduidend anders dan u gewend bent van Nederlandse telefoongesprekken. Het
belangrijkste verschil is dat het doel van een Iraans telefoongesprek vaak niet
is om informatie met elkander te delen, maar om beleefdheden uit te wisselen
(vergelijk les 94: Het aannemen of afslaan van drankjes of versnaperingen, les
109: Het krijgen van een cadeau, les 110: Het geven van een cadeau en les 152: De
betekenis van Ghabel nadare).
De
regels die aan deze les verbonden zijn, zijn als volgt:
Het is de bedoeling dat het telefoongesprek oppervlakkig blijft. Gedetailleerde vragen over iemands dagelijkse bezigheden, gezondheid of het laatste boek dat iemand gelezen heeft moeten vermeden worden.
U hoeft niet op een antwoord van de gesprekspartner te wachten om alweer te beginnen met praten.
De vraag ‘Hoe gaat het?/Gaat het goed?’ moet minstens drie keer herhaald worden.
Een ander antwoord dan ‘Het gaat goed’ wordt niet van u verwacht.
Vaak neemt een van beide gespreksdeelnemers de leiding over het gesprek: hij of zij stelt dan meer vragen, beantwoordt vragen van de ander nauwelijks en besluit wanneer het gesprek afgesloten kan worden. Als u zich in de leidingspositie bevindt, is het zaak om telkens door te blijven praten. Uw pauzes mogen niet langer duren dan twee seconden. Als u zich niet in de leidingspositie bevindt, kunt u het beste de strategie van het beamen toepassen: zeg vaak de woorden Baleh (zie les 6 en woordenlijst achterin: baleh = jazeker). Hierdoor zal het gesprek soepel verlopen.
Vóór u ‘tot ziens’ zegt, is het de bedoeling dat u minstens één keer zegt: ‘Ik ben blij met u
gesproken te hebben’.
Sluit het gesprek abrupt af. Dit moet binnen drie seconden na het stellen van de laatste vraag.
Het onbevredigende gevoel dat u de eerste keren zal overhouden aan het eind van zo’n telefoongesprek is logisch, maar dat betekent alleen maar dat u het goed gedaan hebt! U zult merken dat hoe vaker u een Iraans telefoongesprek voert, hoe makkelijker het gaat en hoe minder aanwezig dit gevoel zal zijn.
Een
praktijkvoorbeeld*:
Spreker
A: ‘Hallo’
Spreker
B: ‘Hallo, lieve M., gaat het goed?’
A:
‘Hallo! Ja, met mij gaat het goed. Hoe gaat het met u?’
B:
‘Goed. Gaat het goed met jou? Wat ben je aan het doen?’
A:
‘Baleh, het gaat...’
B
(interrumpeert): ‘En hoe gaat het met je ouders? En je zus? Maken die het goed?
Gaat het met jezelf ook goed?’
A
(haastig): ‘Baleh, bedankt, hoe gaat
het...’
B
(interrumpeert): ‘Wat ben je aan het doen?’
A:
‘Ik ben aan het studeren, en...’
B
(interrumpeert): ‘Ok, gaat het goed met je studie?’
A:
‘Jazeker. Hoe gaat het met u?’
B:
‘Het gaat goed, dank je. Ik ben blij om met je gesproken te hebben.’
A:
‘Baleh.’
B:
‘Ik hoop je snel te zien!’
A:
‘Baleh.’
B:
‘Doe de groetjes aan je zus.’
A:
‘Baleh, zeker weten.’ (er haastig
achteraan:) ‘Doet u ook de groetjes aan iedereen!’
B:
‘Oké, tot ziens!’
A
(terwijl B al heeft opgehangen): ‘Baleh,
tot ziens!
* Dit voorbeeld is afkomstig
van een echt telefoongesprek uit een familie die zestien van de twintig kenmerken
van een Iraanse familie bezit (zie les 165: Waaraan herkent u een Iraans
gezin?). Uiteraard is dit gesprek in het Iraans gevoerd. Getracht is de tekst
zo precies mogelijk te vertalen.
Elke
nacht is veel te lang en elke nacht is veel te kort. Zo was het, zo is het en
zo zal het altijd gaan. Het ontneemt me bijna mijn levenslust, de wil om me bij
het donker zijn over te geven, omdat ik weet dat ik de ochtend altijd veel te
vroeg haal. De wetenschap dat vermoeidheid in mijn kern verkeert, dat bijna elke
nacht mij verteert, dat is te zwaar om nog jarenlang op te willen blijven staan.
Al
zolang ik me kan herinneren ben ik overbekend met de geluiden van de ochtend door
een eindeloos herhalen. Als de wederhelft van de equinox langzaam naar het
westen trekt, ben ik er om haar te begroeten. Ze is vriendelijk zacht en licht,
al is mijn gastvrijheid gedwongen en mijn hartelijkheid gespeeld.
Dan
ligt naast me Slapeloosheid, met zijn schurende wangen, koude handen en
krassende stem. Ik veracht hem, verafschuw zijn pseudo-liefde, minacht het als
hij zegt dat hij me nooit meer verlaat. En toch is hij zo vertrouwd. Na elke
nacht wat uren omstrengeld te zijn met zijn halfbroer, die ongemerkt heengaat
en zijn palliatieve plek aan de ijzigheid van het wakker zijn afstaat, hoor ik
buiten de geluiden van de ontwakende wildernis (de hydra’s sissen en de apen
krijsen) en ik word verstrengeld door de perfide liefde van mijn demon – want ik
kan niet op hem aan.
Verdoemd
ben ik; ik weet dat ik nooit een onbekommerde rust geniet. Nooit zal ik weten
waarom, hoe het komt dat ik te weinig slaap. Te begrijpen is het niet, want dat
kan niet bij iets wat altijd zo gaat.
Dus
als de pompbenzine opent en de sproeiende waterslangen hun werk beginnen en
trams langsrijden die piepend schreeuwen als hun ijzeren wielen ongelukkig en
onverwacht de rails raken, dan weet ik: de slaap heeft me weer verlaten. Dan
geef ik me weer over aan de enige liefde die me voor altijd bijstaat.
Deze zomer heb ik ongeveer 64 bejaarden gezien. Ik heb in 9 liften gestaan, heb 23 levensverhalen of familiegeschiedenissen gehoord, onder het drinken van 71 koppen thee (5 keer heb ik gehoord: “Meestal willen ze koffie”). Ik heb zo’n 14 soorten stofzuigers gebruikt, ik ken 8 merken allesreiniger en weet nu dat de eucalyptusvariant het viest ruikt. 5 tapijten die maar één kant opgezogen kunnen worden heb ik glad gestofzuigd en 6 voorwerpen die niet in het zuigmechanische elektrische apparaat zouden mogen verdwijnen heb ik verdoemd naar de stoffige vergetelheid. 4 keer heb ik lang staan zoeken naar een lichtknopje en 7 keer heb ik met een opgetrokken wenkbrauw staan kijken naar een boekenkast vol doktersromannetjes.
3 keer heb ik moeten kiezen tussen of ik Turks was of Marrokaans, waarop ik droogjes antwoordde met: “Geen van beide”. Dat ik ook een andere afkomst zou kunnen hebben, bleek haast onwaarschijnlijk, te oordelen naar het verbaasde “Huh?” dat op mijn antwoord volgde. Ik heb 2 keer in gepretendeerde onschuld geantwoord: “Wie bedoelt u met ‘jullie’?” toen de ander zei: “Jullie maken altijd op een andere manier schoon”, waardoor mijn gesprekspartner genoodzaakt was de controversie-opwekkende woorden “jullie buitenlanders” te gebruiken. 13 keer heb ik een fractie van een seconde getwijfeld of ik een detail uit mijn leven zou verdraaien, om telkens toch weer de saaie waarheid te verhalen.
4 keer heb ik met ergernis mijn werk staan doen, omdat de cliënt het nodig vond me te commanderen. Met 3 dementerenden heb ik constant hetzelfde gesprek gevoerd en 6 keer heb ik een heel uur lang hetzelfde journaal aangehoord. 23 keer walgde ik van de inrichting van het huis. 10 rollators heb ik verschoven om ergens bij te kunnen en 9 keer heb ik bijna iets laten vallen. 20 complimentjes heb ik gehad en 14 keer heb ik gezegd dat diegene er niet zo oud uit zag als hij of zij beweerde (waarvan 5 keer gelogen). 31 klaagzangen over de organisatie waar ik bij werk heb ik aan moeten horen en 7 keer heb ik een afkeurend gesprek gevoerd over de jeugd van tegenwoordig. 11 keer is me weemoedig gezegd dat ik nog zo jong ben en een heel leven voor me heb.
Slechts één keer heb ik gedacht: “Als ik oud word, zou ik best zoals haar willen worden”.